Instinct

frans_taal_leren_spreken_in_zuid_frankrijk_op_vakantie_bij_zwembad

‘Kom, schat. Dit is een fijne plek. Vanaf hier kunnen we het bord goed zien. Niet hier? Waarom moet ik er eentje doorschuiven? Wil je niet op de hoek zitten dan? Oké, ik ga al.’

Waarom moest ik nu een stoel verder gaan zitten? Zal het om haar zijn? Zal ze er vanavond zijn? Vorige week heb ik haar niet gezien. Toen zat ik lekker alleen. Ik moest goed opletten, want hij was er ook niet. En ik moest hem naderhand natuurlijk alles vertellen. Dat dacht ik tenminste, maar dat viel eigenlijk wel mee. Hij is veel slimmer dan ik. Hij spreekt al aardig Frans, zou best een niveau hoger kunnen. Wel lief dat hij voor mij op een lager peil meedoet. Ik vind het moeilijk, hoor. Zij ook. Tenminste, dat denk ik. Anders hadden ze woensdagavond niet zo lang gechat. Dat zag ik in zijn computer. Toevallig eigenlijk. Ik kijk haast nooit. Ze wilde uitleg, zei hij. Een beetje vreemd vind ik het wel. Want dat was niet wat ik las. Dat ging niet over Franse les. Maar ja, ik had koorrepetitie. Dan is hij best lang alleen thuis. Misschien vond hij het gewoon gezellig.

O, daar is ze. Wat een hakken! Daar zou ik niet op kunnen lopen, denk ik.  Dat weet ik eigenlijk wel zeker. Hij heeft haar al gezien. Wat een glimlach! Van hem bedoel ik, hè.
Ze lacht fijntjes. Rode lippen. Ik hou niet van een glimlach waarbij je geen tanden ziet.
‘Hai, wat leuk je weer te zien. Echt jammer om een week over te moeten slaan. Ik vind het steeds zo’n uitdaging.‘
Kijk haar nou eens lachen naar hem. Alsof ik niet besta. Ach nee, niet zo stom doen. Ze is best aardig.
Even kijkt ze naar me. ‘O, hai, leuk je weer te zien.’
‘Dag, ben je weer beter?’ Ik probeer gewoon vriendelijk te zijn.
‘Beter?’
‘Je was toch ziek? Je zei toch net zelf dat je – ’
Haar glimlach bevriest. ‘Ach ja. Ja, ik ben weer beter.’
‘Was het een griepje?’ Ik leg mijn hand op zijn bovenbeen. ‘Hij had er ook last van.’
‘O, we gaan beginnen,’ zegt ze en legt een gemanicuurde vinger op haar lippen.

‘Dat vergeet je toch niet?’ fluister ik in zijn oor. ‘Dat je ziek was, dat vergeet je toch niet?’
Hij kijkt me aan en fronst. Hij verstond me niet? Dat zal het zijn. Hij streelt mijn vingers. Ik grijp zijn duim. Ze schudt haar hoofd en bindt haar haren op een staart. Hij kijkt. Had ze dat thuis niet kunnen doen?
‘Hoe vind je haar?’
‘Wie?’
Maar daar trap ik niet in. Ik kijk hem aan.
‘O zij! Wat ik van haar vind? Uh – ze is aardig.’
‘Vind je haar mooi?’
‘Nou, ze is niet lelijk.’
Wat een stom antwoord is dat, zeg! ‘Schat, even over woensdagavond…’
Hij kijkt me vragend aan. ‘Wat bedoel je?’
‘Lieverd, ik spreek toch geen Frans?’
Hij slaakt een zucht.

Auteur van verhalen die verschil maken