
Na haar afgesproken portie bestraling bleek dat de gereserveerde taxi inmiddels weer was vertrokken. Gedwee parkeerde mijn zusje Astrid haar zieke lijf in de wachtkamer. Ondanks mijn inspanningen duurde het erg lang voordat onze Arabische taxichauffeur weer opdook. En net als eerder op de heenweg werkte zijn blauwe schaatsmuts op Astrids lachspieren. Minstens de helft zweefde leeg en nutteloos boven zijn kleine hoofd en bewoog potsierlijk heen en weer toen hij op plechtige toon verklaarde dat we niet direct konden vertrekken. Zijn geklungel was er de oorzaak van dat we nog een poos op een andere patiĂ«nt moesten wachten. âMaar het geef nĂeks,’ prevelde hij in gebrekkig Nederlands. âHet geef nĂeks.â
âHet geeft niets?â brieste ik. âHet geeft niets?â Terwijl ik woest op hem neerkeek, liet Astrid zich – plotseling hondsberoerd – achterover zakken. Het huilen stond haar nader dan het lachen. De geschrokken smurf ging snel een eindje verderop staan wachten.
âWat denk je, As? Zou hij straks thuis een rood mutsje opdoen?â
Ze grijnsde dwars door haar ellende heen. âO ja, Con! Een puntmutsje! Voor als hij met zijn kruiwagentje in de tuin gaat werken!â Ze opende haar ogen. âEn hij heeft vast een wit koksmutsje voor als hij daarna gaat koken.’
âHoe zou zijn douchemutsje eruit zien?â vroeg ik. ‘Een motiefje?â
En terwijl we ons afvroegen of douchemutsjes per definitie gebloemd zijn, sloeg de meligheid in alle hevigheid toe.
âMaar het geef nĂeks,â zei As.
âHet geef nĂeks,â stemde ik in. â
Gierend hingen we tegen elkaar aan toen we ons vervolgens een voorstelling van zijn slaapmutsje probeerden te maken.
âHet geef nĂeks,â hikte ze.
âHet geef nĂeks,â herhaalde ik snikkend.
PatiĂ«nten en verplegend personeel keken ons na toen de chauffeur ons eindelijk riep en we huilend van pret de wachtkamer Oncologie verlieten. Maar dat gaf nĂeks, vonden we allebei. Dat gaf nĂeks
Ontroerend mooi!
?