Kleine moeite

schermafbeelding-2016-09-14-om-09-39-00

Daar sta ik dan. Sprakeloos. Ik weet geen woord uit te brengen. De vrouw van mijn vader strekt haar arm naar me uit. Roze rozen, geschept papier.
‘Voor jou bewaard, Jan,’ zegt ze. ‘Kleine moeite.’
Ik realiseer me onmiddellijk wat ze in haar hand heeft. Verblind door tranen neem ik de kaart van haar aan. Pa knikt me toe.
‘Haar laatste,’ vult hij aan.
Hij glimlacht. Dat heb ik hem lang niet meer zien doen.

Mijn moeder was zacht. Alles aan haar was warm en veerkrachtig. Haar borsten, waar ik als kleine jongen tegenaan kon leunen. Zondags in de kerk of ’s avonds als ze voorlas uit Pietje Puk of Paulus de Boskabouter. Een behaaglijker plekje bestond er niet.
Haar haar, dik en zacht, droeg ze meestal op een wrong. Ik hield ervan als ze het gewassen had. Het moest lang drogen. Bij de kachel. Dan vlocht ik er staartjes in. Tot ze tureluurs van me werd en het in een staart bond.
Haar stem was zacht, nooit boos. Hooguit teleurgesteld. Als ik iets had uitgehaald wat kleine jongens nu eenmaal uithalen. Dat vond ik eigenlijk nog erger. Veel liever had ik een draai om mijn oren gehad.

Wat moet ze gedacht hebben toen ze me zag veranderen van een kleine ondeugd in een schichtig bleek ventje dat liever bij zijn moeder in de keuken bleef. Ze begreep het niet. Viel ik niet erg vaak? Waren mijn benen niet chronisch met beurse plekken bedekt? En had ik niet veel vaker dan mijn broer en zus een lege fietsband? Of een lekke bal? Ze weet het aan toeval. Domme pech. En noemde zichzelf overbezorgd. Was ik immers niet haar kleine man?
Tot ze ‘Pim Pandoer’ vond. Ik kreeg het boek van mijn opa. Voor mijn verjaardag. Mijn grootste schat. Waar ik ging, ging ‘Pim Pandoer’. Maar nu was het weggestopt in mijn nachtkastje. Beduimeld en beklad. Ik had met wc-papier nog geprobeerd de schoolmelk op te deppen, maar het kwaad was al geschied. De bladzijden waren aan elkaar vastgeplakt. Ze scheurden toen ik ze – na een nacht op de verwarming – had geprobeerd los te peuteren.
Ze zette me op een keukenstoel en trok een tweede stoel erbij.
‘Wat is er gaande?’ vroeg ze nadat ook zij was gaan zitten.
Nooit eerder hoorde ik een dergelijke felheid in haar stem. Haar ogen waren strak op me gericht. Ik had de moed niet haar te antwoorden.
Ze haalde diep adem. ‘Johannes Hubertus Maria van Vuren,’ zei ze toen. Haar stem was zo ijzig dat ik ervan rilde.
‘Jij mag kiezen. Je kunt het me vertellen. Dan doen we er wat aan. Of je houdt je mond. Dat mag ook. Maar dan wordt er vanavond niet warm gegeten. Door jou niet. Door mij niet. Door niemand niet. Want ik verroer geen vin voordat ik weet wie ‘Pim Pandoer’ naar de verdommenis heeft geholpen!’
Toen schrok ik pas echt. Nooit eerder had ik mama zoiets horen zeggen. Ik zag de tranen in haar ogen. Wat kon ik anders dan haar alles vertellen?

De schoolleiding zag geen noodzaak in te grijpen. ‘Kattenkwaad’ was, meen ik, het woord waarmee ze de zaak afdeden. Maar mama nam de zaak niet zo licht op. En zo kwam het dat we niet veel later van hartje stad naar een lieflijk dorp verhuisden. ‘Waar mensen nog mensen zijn’, had ma gezegd. Pa had tegengesputterd. Hij moest nu wel een uur fietsen naar de drukkerij waar hij als zetter zijn brood verdiende. Wonderlijk, bedacht ik me veel later pas. Was niet hij, die man met handen als kolenschoppen en een stem die zelfs onze kat de stuipen op het lijf joeg, de baas in huis? Ach, wat weet een kind van het huwelijk van zijn ouders.

Onze keuken was de beste plek van het huis. Warm. Opnieuw is dat het eerste woord dat in me opkomt. Thee was er altijd. Mariakaakjes soms. In het weekend kletskoppen. Mama maakte appelmoes. Of tomatensoep. Met talloze balletjes, zorgvuldig gedraaid. Terwijl ik mijn huiswerk maakte, werden pa’s zondagse hemd, mama’s wijde rokken en zelfs de grote witte zakdoeken gestreken op een brede plank.
Mijn littekens sleten. Langzamer dan ik wilde, maar toch. En als ik dan toch weer droomde, ’s nacht badend in het zweet wakker werd, was ze daar. Dan zat ze op de rand van mijn bed en drukte mijn hoofd tegen haar boezem. Ze streelde mijn haar en neuriede zacht. Net zolang tot mijn ademhaling weer rustig werd. Dan stopte ze me onder, drukte een kus op mijn voorhoofd en liet de deur een stukje open staan.
‘Mama is vlakbij, Jantje,’ fluisterde ze dan. ‘Vlakbij.’
Door de kier kon ik haar zien zitten. Aan haar tafeltje in de hoek van hun slaapkamer. In het gelige licht van een ouderwetse schemerlamp knipte ze roosjes uit behangpapier en maakte 3D-kaarten voordat iemand wist dat je die zo noemt.

Mijn eindexamen, mijn eerste baan, mijn eerste echte verkering, ze genoot ervan. Onze kinderen waren haar grootste geluk. Tot ze ziek werd. Ze klaagde nooit. Pa verhuisde haar tafeltje naar de woonkamer. Trappen lopen viel haar te zwaar. Daar zat ze uren achtereen en maakte de mooiste kaarten. Voor een jarig neefje, de zieke buurvrouw of voor zomaar iemand die wel wat aandacht kon gebruiken.
Ik plaagde haar ermee. ‘Nog meer roosjes, mam!’
Dan lachte ze. ‘Ik hou van rozen. En ik doe graag een ander een plezier. Kleine moeite, Jan.’
Dan zette ik thee.

De dienst was drukbezocht. ‘Haar dood moet als een verlossing voelen,’ zeiden ze. Of erger nog: ‘Veel beter zo.’ Ze gaven me een hand, aaiden mijn kinderen over het hoofd en liepen door naar de koffie. Ik haatte ze erom. En ja, zij was er ook. Vriendin van de familie. Ik weet niet of ik met haar gesproken heb.

Ik begreep niet dat pa zo snel na mama’s overlijden een nieuwe vrouw had. Ik wist heus wel dat hij en mama haar al heel lang kenden. En dat mama zo vaak had gezegd dat pa geen man is om alleen te blijven. Het leek voorbestemd. Dat zegt mijn vrouw steeds. Dat het zo moest zijn. Ze heette zelfs hetzelfde. Rietje, net als mama. Hoe wonderlijk kan het gaan? Ik dacht niet dat ik haar naam ooit over mijn lippen zou kunnen krijgen. Was pa nou echt vergeten hoe ziek mama was? Hoeveel pijn ze doorstond zonder dat er een klacht over haar lippen kwam? Ze teerde weg. Zelfs haar geliefde hobby kon ze niet meer beoefenen. Dat raakte me misschien het meest. Nooit meer uitgeknipte roosjes.
Ze ruimde alles op, de nieuwe vrouw van mijn vader. Ook het kleine tafeltje, het borduurschaartje en de lijm. Thuis vond ik niets van mama meer. Ik kwam er steeds minder. En was er niet bij toen ze trouwden.

Op aandringen van mijn vrouw zetten we de plannen voor deze avond door.
’25 Jaar is niet niks,’ zei ze. ‘En o ja, we nodigen ook je vader uit. Samen met haar.’
Ik protesteerde.
‘Je moeder zou het niet anders gewild hebben.’
Daarmee had ze een punt.

Over de hoofden van familie en vrienden kijk ik naar mijn dochter. Vol vuur draagt ze het ABC voor dat ze samen met haar broer heeft voorbereid. Een warme gloed trekt door me heen. Want de geschiedenis had zich herhaald. Een nieuwelinge in haar klas had al haar vriendinnen tegen haar opgezet. Hoe had ik mama’s pijn begrepen. Ook mij sneed het verdriet van mijn kind door mijn ziel. Samen zetten we alles op alles om mijn meisje weer gelukkig te maken. Met succes. Op de nieuwe school was ze opgebloeid als een roos. Bij de O van Oma kijk ik naar pa. Zijn vrouw legt haar hand op zijn arm en knijpt er zachtjes in. Pa neemt zijn keurig gestreken, witte zakdoek en veegt ruw over zijn ogen. Ze drukt haar hoofd tegen zijn schouder. Haar warmte verrast me. Ik moet plots zwaar slikken. Mijn vrouw slaat haar arm om me heen.

Tijdens de koffie komen ze naar ons toe.
‘We gaan op huis aan, jongen. Het diner was heerlijk, maar het dansen laten we aan de jongelui over.’
De vrouw van mijn vader steekt de kaart naar me uit. Roze rozen, geschept papier.
‘Voor jou bewaard, Jan, zegt ze. ‘Kleine moeite.’
‘Dank je, Rietje,’ antwoord ik, maar ze is al bij de deur.

6 gedachten over “Kleine moeite”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Auteur van verhalen die verschil maken