Koffietijd

orange-babies-schoenen

‘Mijn kind komt gelukkig niets tekort. Ze heb alles wat haar hartje begeert. Alleen tijd, dat hebben ze tegenwoordig niet meer, Ilse. En straks heb ik een tuintje op mijn buik. Tja, en dan is het te laat.’

Mevrouw Martens werkwoordsvormen zijn niet altijd de juiste en, zeker nu ze zo goed als doof is, praat ze wel een beetje luid, maar in tegenstelling tot haar echtgenoot stoort het Ilse Rodenburg niet.
Mevrouw Martens heeft haar ruim twaalf jaar geholpen in de huishouding. Een mens heeft al snel nog maar weinig geheimen voor iemand die de wasmand leegruimt en ook de keukenkastjes van binnen kent.

Ook nadat het werk haar te zwaar werd, is ze iedere woensdag blijven komen. Voor koffie en een praatje. Ze slaat nooit over. Zó lang zal ze het niet meer kunnen doen, denkt Ilse vaak. Ze loopt steeds moeilijker en ze ademt zwaar. De laatste tijd klaagt ze over allerlei pijntjes. Dat deed ze vroeger nooit. Steevast vrolijk, vol met grapjes. Haar glas was altijd halfvol.
‘Ik vind het reuze meevallen, mevrouw Martens’, antwoordt ze. ‘Ze komt toch wanneer ze maar kan. Vorige week zei u nog…’
‘Ach…’, ze onderbreekt Ilse en zet een grappig hoog stemmetje op: ‘Sorry ma, Peter is zo druk, ik moet werkelijk alles alleen doen. Dinsdag moet ik naar yoga, woensdag heb Paultje saxofoonles, Cindy moet elke donderdagmiddag naar paardrijden. En zaterdag gaan ze allebei hockeyen. De dagen vliegen om. Volgende week kom ik echt. Dag ma, ik moet nou ophangen. Dag ma!’
Ze hinnikt als een paard. Ilse glimlacht geamuseerd. Haar buurvrouw kan haar dochter perfect imiteren. Ze had bij het toneel moeten gaan.
‘Welnee, mevrouw Martens, u mag niet zo overdrijven. Wees eens eerlijk. Ans is een schat van een meid. Maar ze werkt hard. En daar bent u vreselijk trots op! Geeft u het maar toe. Het is fijn dat ze het zo goed hebben. Haar man verdient toch ook heel behoorlijk?’
‘Hij heb een topbaan’, antwoordt mevrouw Martens. ‘Ik maak er ook geen ruzie over. Twee auto’s hebben ze, een koekblik voor Ans en een grote wagen voor hem. En wat een prachtig huis hebben ze, Ilse. Heel modern, veel ‘diezein’, zo noemt ze dat, geloof ik. Niet zo gezellig vin’ ik zelf, maar da’s natuurlijk persoonlijk. Ieder zijn smaak, toch? Van de zomer bivakkeerden ze drie weken in Egypte, de hele santenkraam hoorde erbij, olinkloezif. Al dat buitenlands tegenwoordig! Maar reuze mooi hoor. En van de winter gaan ze vast weer naar Oostenrijk. Ik stelde pas voor een keertje mee te gaan op wintersport. Had je die gezichten moeten zien. Kostelijk! Geintje natuurlijk. Zie je mij met mijn reumatiek al in de sneeuw zitten? Maar goed, al die luxe heb zijn prijs.’
‘Heeft’, zegt Ilse’s man, ‘Die luxe heeft zijn prijs.’
‘Dat zeg ik, meneer Rodenburg. Geen zorgen, maar al die luxe heb zijn prijs. Het ken niet op, lijkt het soms wel.’
‘Het kan niet op’, verbetert hij haar opnieuw.
‘Precies!’
‘Hou eens op, lieverd’, zegt Ilse vermanend, ‘Kijk jij nou maar televisie. Zo vaak komt mevrouw Martens niet bij ons langs. Ik vind het altijd erg gezellig.’
‘Elke week’, mompelt hij. ’Gezellig.’
Laat haar toch, denkt ze. Ik hoop dat ik ook ergens welkom ben voor koffie als ik zo oud ben.

‘Maar beter dan dat ze geen cent te makken hebben. Ik maak me niet sappel hoor, meid’, verklaart mevrouw Martens stellig. ‘Ik moet ook niet zeuren. Het komt vast door al die vallende blaadjes buiten. Ik word tegenwoordig chagrijnig van de herfst. Het doet me te vaak aan dood gaan denken. Ach, dood gaan we allemaal, toch? Die kleurtjes vin’ik wel mooi. Ik hou wel van dat goud en oranje. Maar door al die nattigheid speelt me reumatiek …
‘Dames, zou het wat zachter mogen. Ik vind dit programma interessant. Ik wil het graag horen’, onderbreekt Ilse’s man de bejaarde vrouw.
Demonstratief zet hij het geluid wat harder. Mevrouw Martens oogt gekwetst. Ze maakt haar zin niet af. Ze kijken nu alle drie naar de televisie. Dat rotweer ook, denkt Ilse. De hele dag zit hij binnen, verveeld zich. En maar zappen. Ze wordt er gek van.

Een stralende moeder toont haar prachtige dochter aan de camera. Waar de kraamkliniek precies staat heeft meneer Rodenburg niet gehoord, dat geklets van die vrouwen ook. ‘Orange Babies’, leest hij, het staat in grote letters op de muur. De Afrikaanse is reusachtig blij dat haar dochter hier, met hulp van een kundige vroedvrouw, geboren mocht worden. Hiv-vrij, wat een geluk. Marianne Mbolinami heet de kleine meid. ‘God zij met mij’ verklaart haar trotse vader. Tja, dat begrijpt ook mevrouw Martens wel.
‘Dan hebben ze het daar in Afrika heel wat ellendiger, hè mevrouw Martens’, merkt Ilse op.
‘Da’s waar. We beseffen vaak niet hoe rijk we wel zijn. Gezellig zo aan de koffie, hè? Vin’ u ook niet, meneer Rodenburg? Lekker dat jullie de verwarming al zo stoken. Want wat is het guur buiten, hè? Ik heb hem alleen ’s avonds even aan. Dat wilde meneer Martens, mijn man zaliger altijd zo. Hij kon zo mopperen over de gasrekening. En over de stroom. Nog zo’n stokpaardje. Hij deed het liefst helemaal geen lampen aan. Hij was wat zuinig, mijn man zaliger. God hebbe zijn ziel. Ik snap het wel, ze hadden vroeger bij hem thuis geen nagel om hun kont te krabben. Zo’n schemerlampje zal toch niet zoveel stroom kosten? Het staat zo gezellig als het zo somber is buiten. Zo knap hoe hij zichzelf heb opgewerkt, maar zijn glas was altijd halfleeg.
Ze giechelt: ‘Nu doe ik het veel vaker aan, hoor.’

‘Wilt u nog een kopje koffie, mevrouw Martens?’ vraagt Ilse en verbaast zich er niet over dat mevrouw Martens dezelfde uitdrukking gebruikt. Ze heeft hem vast van haar, net als zoveel andere. Mevrouw Martens is nogal van de spreekwoorden en gezegdes.
‘Lekker, meid! Je heb heerlijke koffie. Er gaat niks boven Douwe Egberts toch? Gezellig!’
‘Nog steeds Roodmerk’ zegt Ilse en staat op om de pot te halen.

‘Waar kijkt u naar, meneer Rodenburg?’ verlegt mevrouw Martens haar aandacht naar Ilse’s echtgenoot.
Hij antwoordt niet, legt geïrriteerd even zijn wijsvinger op zijn lippen en richt hem dan op de televisie.
‘Het gezin woont niet ver bij het ziekenhuis vandaan, in het dorpje Bandassi’, vertelt de verslaggever. ‘Ze kunnen rondkomen van wat ze op hun akkertje verbouwen, maar er blijft geen geld over. Als ouders Marie Claire en Maurice weer bij hun overige kinderen thuis zijn en Marianne’s navelstreng eraf is gevallen viert het gezin, samen met opa en oma, de komst van het kleintje. Hopelijk vangen ze een vis, anders zal het feestmaal bestaan uit maniok en wat gedroogd vlees.’
Mevrouw Martens maakt een spottende hoofdbeweging naar de televisie als Ilse terugkeert: ‘Ik praat zeker weer te veel. Dat vond mijn man zaliger ook altijd. God hebbe zijn ziel. Is toch gezellig, zei ik dan. Maar dat vond hij niet zo.’
‘Kijk je ‘Koffietijd’, schat? Waar hebben ze het over?’ vraagt Ilse als ze ook haar mans koffiekopje weer vol schenkt en naast hem blijft staan.
‘Over Orange Babies. Goed werk doen die jongens.’

Ze luisteren.
‘Als sinds de start’, vertelt een in witte jas gehulde jongeman, ‘ontvangt Orange Babies veel waardering voor zowel het medische werk als het optreden als pleitbezorger voor mensen in nood.’
‘Knappe kerel. Jammer dat hij helemaal in Afrika zit. Vin’ je niet, Ilse?’
‘Mevrouw Martens, wees eens eventjes stil. Mijn man heeft gelijk. Dit is interessant.’
Inwendig moet ze lachen.
‘Misschien had u liefst zij aan zij met ons gestaan om noodhulp te verlenen, maar bent u nooit in staat geweest een invulling aan uw wens te geven. Maar het is nooit te laat. Met een testament kunt u in eigen hand houden hoe uw nalatenschap vorm krijgt in de wereld: nu en later.’
‘Zij aan zij? Dat ken toch niet meer. Zie je mij daar al baby’tjes halen in zo’n wit uniformpje? Dank je de koekoek.’ lacht mevrouw Martens. ‘Zo’n oud mens als ik zeker. Ik leg zowat in m’n houten pyjama!’
‘Wel lekker voor uw reumatiek daar’, plaagt Ilse geamuseerd.
‘Stil nou even!’
Meneer Rodenburg klinkt grimmig nu.
‘Zo heet, zou ik daar tegen kennen, denk je?’
Ilse heft, voordat haar man weer iets kan zeggen, bezwerend haar vinger in zijn richting. Laat haar nou toch, denkt ze opnieuw.
‘Er zullen altijd plekken op de wereld zijn waar de nood het hoogst is. Waar mensen niet de hulp van een arts kunnen inroepen als ze ziek zijn. Wat ons te doen staat is duidelijk. Alles op alles zetten om hulp te geven. Voor deze plannen hebben wij u nodig. Uw testament kan hét grote verschil maken voor de toekomst van deze mensen. Een toekomst zonder aids, wat ons betreft. Wat ú nalaat aan de wereld kan een nieuw leven betekenen voor anderen.’
‘Ik dacht het niet. Dan pikt de overheid de helft in. Ik heb geld genoeg hoor. Ik ben altijd zuinig geweest en meneer Martens, mijn man zaliger, God hebbe zijn ziel, heb vroeger altijd goed verdiend.’
‘Heeft’, zegt meneer Rodenburg, ‘Hij heeft goed verdiend.’
‘Dat zeg ik. Hij heb goed verdiend. Maar hij bewaarde nou eenmaal graag. Dat ga ik niet doen, hoor. Hoewel? Ik geef bar weinig uit. Ik zou niet weten waaraan. Wat zou ik nou nog moeten kopen? Ik stop alleen mijn kleinkinderen wel eens wat extra’s toe. Maar ja, dat zeg ik, die hebben alles al.’
‘Een persoon of organisatie die geld ontvangt uit een nalatenschap, is hierover erfbelasting, voorheen successierecht genoemd, verschuldigd aan de belastingdienst’ vervolgt de voice-over. ‘Als goed doel is Orange Babies echter volledig vrijgesteld van erf- en schenkbelasting. Gelden die aan ons worden nagelaten komen dus geheel ten goede aan ons werk. Uw notaris kan u er alles over vertellen.’

‘Die kleine Marianne heeft in ieder geval een goede start gehad’, mompelt meneer Rodenburg voor zich uit.
‘Vroeger spaarden we zilverpapier. Ans nam het meer naar school. Dat kwam de missiepater dan halen. Voor de zwartje kindjes, zei hij dan. Zo noemden we ze toen, zwartjes. We bedoelden er niets verkeerds mee. Maar dat mag tegenwoordig niet meer…’
Als het plotseling stil blijft, kijken Ilse en haar man verbaasd opzij. Mevrouw Martens zegt niets meer, ze denkt na. Twee diepe denkrimpels lijken het kleine hoofd in tweeën te splijten. Haar beweeglijke handen rusten in haar schoot.

‘Ans heeft het eigenlijk helemaal niet nodig’, mompelt ze. ’Dan kennen ze het daar beter gebruiken.’
‘Kunnen, ze kunnen het daar beter gebruiken’, zegt meneer Rodenburg, wat hem op de zoveelste boze blik van zijn vrouw komt te staan.
Mevrouw Martens hoort het niet. Ze is in gedachten verzonken.
‘Voor later, zei hij altijd, mijn man zaliger. Maar hoeveel later ken het worden?’
Wat is ze oud als ze zo stil zit, schrikt Ilse. Net een klein vogeltje. Zo breekbaar. Zo lief. Zelfs haar man houdt zich stil en verbetert mevrouw Martens deze keer niet.
‘Het is niet alleen die reumatiek. Ik ben bijna 84. Ik voel van alles. Niet zo gek toch? Mijn herfst is allang voorbij. Einde winter is het hier’, verzucht ze. ’Maar dan die kleine zwarte kindjes. Eigenlijk is daar niet veel veranderd…

Tijdens de aftiteling zwenkt vanuit een helikopter de camera over het dorpje van de kleine Marianne Mbolinami .
‘Oranje baby’s’ grinnikt ze zacht. ‘Mag je dat zeggen?’
Weer blijft het stil.
‘Zo’n sjieke meneer, meneer Rodenburg, weet u dat?’ zegt ze dan. ‘Zo’n notaris, is die duur?’
Ze glimlacht er gelukkig bij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Auteur van verhalen die verschil maken