Papa’s stal

Zoals ieder jaar had, ondanks de bijgeplaatste stoelen, niet iedereen een plekje kunnen bemachtigen. Het lijkt niemand te deren. Lachend schudt men elkaar de hand. Ook zij krijgt van diverse bekenden hartelijk een gelukkig Kerstfeest toegewenst. Ze zijn blij haar te zien, toch kost het haar wat moeite terug te glimlachen. Voor het eerst in haar leven heeft de nachtdienst haar niet blij gemaakt. Natuurlijk heeft ze meegezongen. Ze kreeg, net als altijd, een brok in haar keel van de traditionele kerstliederen. Maar het had zo onaf gevoeld. Zo incompleet. Ze miste die lage mannenstem naast haar. Gek, toch. Als meisje had ze zich vaak geschaamd. Papa klonk niet altijd even zuiver. Dat had hij vrolijk weggelachen. ‘Als God had gewild dat ik mooier kon zingen, had hij me wel een betere stem gegeven’, zei hij dan.

Ze snuit haar neus. Nu zou ze er een lief ding voor overhebben om hem nog eens hard en vals te horen zingen.

Ze recht haar schouders en baant ze zich een weg naar de deur.
Daar legt de dominee zijn hand op haar schouder. ‘Wat fijn dat je vannacht toch gekomen bent. Het zal niet makkelijk voor je zijn. Je houdt je kranig. Ik denk dat je vader hartstikke trots op je zou zijn.’
Ze knikt en knoopt zonder te antwoorden haar jas dicht. Tot bovenaan toe.
‘Doe je sjaal maar stevig om’, zegt hij nog, voordat ze in de donkere nacht verdwijnt. ‘Het is guur buiten.’
‘Het regent weer,’ zegt ze.
Vroeger was er warme chocolademelk als ze thuis kwamen. Dan zette papa de kerststal onder de boom. Steevast mocht zij het kindeke Jezus in zijn kribbe leggen. Prachtig vond ze hem. Zijn lieve glimlach, de minuscule lendendoek. Papa had hem zelf gemaakt, net zoals alle andere figuren in de simpele, houten stal. Zittend voor het haardvuur maakte hij er vaak eentje bij. Puur voor zijn plezier sneden zijn eeltige handen een lammetje. Of toch nog een herder. Dan keek ze stilletjes toe.
Haar ogen worden vochtig. De wind is venijnig fel.
 Als ze haar straat inloopt, is ze verrast te zien dat er licht brandt in hun woonkamer. Zou haar vriend dan toch nog op zijn? Hij had gemopperd toen ze ondanks zijn afkeer vanmiddag een kerstboom had gekocht. ‘Als die stal er maar niet bij hoeft!’ was al wat hij zei.
Hij had zijn hoofd geschud toen ze vertelde dat ze naar de kerk zou gaan. ‘Een sprookje, net als Sinterklaas.’
‘Voor papa,’ had ze gefluisterd, meer tegen zichzelf dan tegen hem.
Hij had haar verstaan. ‘Je vader is er niet meer, toch? Ik dacht dat we eindelijk van dit gedoe af zouden zijn.’
Ze had op haar lip gebeten en niets teruggezegd. Maar toen ze vertrok had hij een verontschuldiging gemompeld en haar op haar wang gekust. ‘Geniet ervan, schatje.’
Dat was best lief, denkt ze. Ze zoekt haar huissleutel.
‘Er is chocolademelk. Ik hoop dat die een beetje gelukt is,’ zegt hij als ze binnenkomt.
In zijn uitgestrekte hand ligt het kindeke Jezus. ‘Leg jij dit ventje even in zijn bedje?’

Hij knipoogt. Onder de kerstboom staat papa’s stal.

Gepubliceerd in ‘Volg de sterren’ PKN 2015
Voor meer informatie klik hier

Auteur van verhalen die verschil maken