
SuĂšde schoentjes, maatje 23, riepen mij vanaf een rekje midden in een drukke winkelstraat âKoop mijâ toe. Roze schoentjes, welk meisje wil ze niet? Of haar moeder? Voor haar meisje? Ze waren onweerstaanbaar. Ze mocht ze direct aanhouden. Mijn kleintje straalde, ze dacht beslist dat iedereen naar haar mooie schoentjes keek. Zo blij.
Tot ze op dat zonnige Italiaanse  terras alwéér moest plassen.
‘Je bent net geweestâ, bromde papa.
âAnders plas k mijn broek, papa.â
âDan plas je maar in je broekâ, antwoordde de bruut.
Een klein-meisjesplasje druppelde door de spijltjes van de terrasstoel. Haar nieuwe schoentjes kleurden donkerroze. Tussen papa en zijn dochter kwam het die dag niet meer goed.
oh, wat bruut!
En dat terwijl het toch zo’n lieve papa is đ